Herodotos over de Nijl

De Griekse onderzoeker Herodotos was wat je noemt “intelligent maar geen intellectueel”. Hij mist de diepzinnigheid van de filosofen van zijn tijd en laat ook de vragen lopen waar een Aischylos mee worstelde. Maar Herodotos had een goed stel hersens en was niet beschroomd die te gebruiken. Zijn beschrijving van de sedimenten van de Nijl en zijn constatering dat Egypte in de loop van tien- of twintigduizend jaar was ontstaan uit rivierafzettingen, vormt een prachtig staaltje onbevooroordeeld en onbevangen nadenken. Zijn conclusie dat het land van de stroom was verkregen, werd spreekwoordelijk: Egypte wordt nog altijd aangeduid als “geschenk van de Nijl”.

De Egyptische rivier vormde in de Oudheid een beroemd raadsel. Niemand wist waar de bronnen waren en het moet gezegd dat Herodotos’ speculaties niet werkelijk correct zijn gebleken: redenerend dat de rivier symmetrisch was met de Donau, concludeerde hij dat de bronnen van de Nijl tegenover die van de Europese rivier moesten liggen, en aangezien hij die zocht in de Pyreneeën moest de Afrikaanse stroom beginnen in de Atlas. Hij had daarvoor overigens wel een serieuze aanwijzing: een rapport van een groep Nasamonen (een stam uit Libië) dat ze in het zuiden een grote stroom hadden gezien die van west naar oost stroomde. Een rivier waarin typisch Egyptische dieren leefden, zoals krokodillen. De Niger, weten wij, maar dat kon Herodotos niet weten.

Tegenover deze misser staat echter een triomf: de correcte verklaring voor de overstroming van de Nijl. De reden is dat twee van de drie stromen die in het huidige Soedan samenkomen in de Nijl, de Blauwe Nijl en de Athbarah, hun bron hebben in de hooglanden van Ethiopië en dat daar in de vroege zomer de moessonregels vallen. Het water stroomt naar het noorden en veroorzaakt daar dus de overstroming, maar dat wist destijds niemand.

De Egyptenaren boden een mythologische verklaring die de Griekse natuurwetenschappers niet bevredigde. (Dit kritische doorvragen is toch wel een bijzonder punt van de Griekse cultuur.) Zo had Thales van Milete geopperd dat het wisselende peil van de Nijl viel te verklaren met de aanname dat de noordenwind de rivier terug blies. Herodotos maakt er weinig woorden aan vuil: de Nijl blijft laag bij windstilte. Los daarvan: waarom hebben andere noordwaarts stromende rivieren er dan geen last van?

Zijn volgende slachtoffer kan worden geïdentificeerd met Hekataios van Milete, die had beweerd dat de Nijl geen rivier was maar een tak van de Okeanos, de grote stroom rondom de aardschijf. Herodotos neemt zelfs niet de moeite het te weerleggen en herinnert er slechts aan dat de Okeanos een dichterlijk verzinsel is. Veel dodelijker had hij niet kunnen zijn.

De derde theorie was die van Anaxagoras van Klazomenai, die het had gehouden op smeltende sneeuw. Dat klonk volgens Herodotos nog enigszins waarschijnlijk, maar was ook onzin. Hij legt uit dat het in het diepe zuiden wel erg heet is, zodat het niet aannemelijk is dat daar sneeuw ligt.

Hierop geeft Herodotos een complexe beschrijving van de regens die in Ethiopië vallen.

Luister maar eens wat de gevolgen zijn als de zon het binnenland van Afrika passeert. … Zoals bekend trekt de zon water aan en stoot dit daarna af naar hogere regionen waar de winden het overnemen. Die verspreiden het weer en laten het overal als druppels neerkomen. Het is een feit dat de zuiden- of zuidwestenwinden verreweg de meeste regen brengen. (Herodotos, Historiën 2.25; vert. Hein van Dolen)

Dit is correct: de Nijloverstroming ontstaat door de verdamping en neerslag die het gevolg zijn van de (schijnbare) beweging van de zon. Wij noemen het met één woord “moesson”, maar dat woord had Herodotos nog niet. De complexiteit van zijn beschrijving is een gevolg van het simpele feit dat hij hardop aan het denken was over een probleem dat nog niet werkelijk was doordacht. Hij moet de woorden nog vinden. Dat maakt hem, althans voor mij, tot een sympathieke auteur.