Het verhaal dat Herodotos liet liggen

Wedjahor-Resne met een cultusbeeldje van Osiris. Het beeld werd door de Romeinse keizer Hadrianus (117-138) meegenomen naar Italië en geplaatst in zijn villa in Tivoli. Het is nu in de Vaticaanse Musea.

Ik heb al weleens eerder gewezen op de verovering van Egypte door de Perzische koning Kambyses, een gebeurtenis die traditioneel wordt geplaatst in 525 v.Chr. Vóór hem had de Assyrische heerser Esarhaddon de Egyptenaren onderworpen, en dat was eigenlijk de enige keer dat een leger vanuit Azië de Nijl had bereikt. Het was dan ook een formidabele prestatie.

Een leger dat vanuit Palestina naar Egypte trekt, moet namelijk vijf dagen langs de kust marcheren, door een woestijnachtig gebied zonder veel bronnen. Als farao Psamtek III zijn vloot tegen Kambyses zou hebben ingezet, zou het er slecht hebben uitgezien voor de Perzen. Die wisten evenwel zonder verliezen Pelousion te bereiken, het huidige Port Said. De Griekse auteur Herodotos, een voorname bron, vermeldt een gevecht maar heeft daarover weinig te vertellen. Hier is de vertaling van Historiën 3.11-12 door Hein van Dolen.

Na de tocht door de woestijn legerden de Perzen zich in de buurt van de Egyptenaren met het oog op de komende veldslag. […] De strijd die plaatsvond was heel hevig en de verliezen aan beide zijden waren enorm. De Egyptenaren zijn ten slotte op de vlucht geslagen.

Het vervolg is beroemd.

Ik ben daar iets heel eigenaardigs gaan bekijken, nadat de inheemse bevolking mij erop had geattendeerd. De botten van de gesneuvelden liggen er op twee grote hopen, aan de ene kant die van de Perzen, aan de overzij die van de Egyptenaren, precies zoals ze van begin af aan apart zijn gelegd. Nu blijken de schedels van de Perzen zo broos dat je er al met een steentje een gat in gooit. Maar de Egyptische zijn bikkelhard. Die krijg je alleen maar stuk door er met een kei op te rammen. Er is een aannemelijke verklaring voor dit verschijnsel. Van jongs af aan worden de Egyptenaren kaalgeschoren; in het felle zonlicht wordt de schedel op den duur hard. […] Maar de Perzen hebben zulke broze schedels omdat zij hun hoofd nooit aan de zon blootstellen. Als kind al dragen zij vilten hoofddeksels.

Ook Herodotos’ toehoorders zullen hebben gelachen om deze anekdote, die de aandacht afleidt van het feit dat de auteur niets weet over de veldslag zelf. Die was dan ook onbelangrijk. Toen Kambyses eenmaal het zoete water van de Nijl had bereikt, was zijn overwinning zeker, want als erfgenamen van de Assyriërs waren de Perzen in staat betere legers op de been te brengen dan wie ook ter wereld.

Belangrijker dan de veldslag is de vraag hoe Kambyses’ leger door de woestijn kon trekken. De waarheid daarover, zoals wij die door een samenloop van omstandigheden denken te kennen, is van dien aard dat noch de Perzen noch de Egyptenaren deze aan Herodotos zullen hebben verteld.

Egypte werd verraden. De voornaamste betrokkene, een hoogwaardigheidsbekleder met de naam Wedjahor-Resne, heeft zijn mond voorbij gepraat. Het bewijsstuk is een standbeeldje van deze man als drager van cultusbeeld van Osiris. In de inscriptie wordt deze god gevraagd de hoveling te beschermen die zo goed zorgt voor het cultusbeeld, en opdat de godheid weet wie hij moet zegenen, worden alle titels van Wedjahor-Resne opgesomd en wordt uit de doeken gedaan welke rol hij speelde om de cultus van de goden voortgang te doen vinden in de moeilijke jaren na de Perzische inval:

Deze man, die wordt geëerd door de grote godin Neith, de moeder van de god Ra, en door de andere goden van de stad Saïs, de prins, de grootmeester, koninklijke zegelbewaarder, enige adjudant, werkelijke geliefde des konings, de secretaris, inspecteur der raadssecretarissen, eerste secretaris van het grote buitenhof, intendant van het paleis, admiraal van de koninklijke vloot van de heerser van Boven- en Beneden-Egypte, koning Amasis, admiraal van de koninklijke vloot van de heerser van Boven- en Beneden-Egypte, koning Psamtek, Wedjahor-Resne, zoon van de intendant der vestingen, khrjepe-priester, renep-priester, priester van het oog van Horus, profeet van Neith, districthoofd van Saïs, zegt dit:

“De grote koning van alle vreemde landen, Kambyses, kwam naar Egypte en nam de vreemdelingen uit elk vreemd land met zich mee. Toen hij bezit had genomen van ons hele land, … werd hij uitgeroepen tot grote heerser van Egypte en grote koning van alle vreemde landen.

Zijne majesteit benoemde mij tot zijn hoogste lijfarts, vroeg me bij hem te blijven als adjudant en als intendant van het koninklijk paleis, en gelastte me zijn titel, zijn naam als koning van Boven- en Beneden-Egypte te componeren: Mesuti-Ra.

Ik zorgde ervoor dat zijne majesteit vernam van de grootheid van Saïs, de zetel van de grote Neith, de moeder die Ra voorbracht en die het voortbrengen deed ontstaan toen het voortbrengen nog niet bestond. Ook zorgde ik ervoor dat zijne majesteit de betekenis van de tempel van Neith begreep.”

En zo gaat de inscriptie nog een tijdje verder met de opsomming van Wedjahor-Resnes verdiensten. Het valt nauwelijks op dat hij ook iets nietvermeldt: als hij toch admiraal is geweest, waarom noemt hij dan nergens een zeeslag? Het is toch wel heel opmerkelijk dat Wedjahor-Resne de Perzen niet heeft aangevallen terwijl zij over het strand van Gaza naar Pelousion marcheerden! Hij had de kans en de middelen om de invasie te verhinderen, maar heeft ze niet gebruikt.

Wellicht heeft hij al voor de Perzische invasie contact gehad met de vijand, want het is weinig aannemelijk dat Kambyses zijn leger gedurende vijf dagen langs de kust liet trekken zonder waarborg tegen een flankaanval. Zekerheid over de rol van Wedjahor-Resne zal, uit de aard der zaak, wel nooit worden bereikt. Maar hij heeft de schijn behoorlijk tegen. En eerlijk is eerlijk, Herodotos, de vader van de journalistiek, heeft een verhaal laten liggen.