De terugkeer van een mythe

De Hellespont: Europa tegenover Azië

Aan het einde van Xerxes in Griekenland ga ik in op de negentiende-eeuwse mythe dat de oorlog tussen Grieken en Perzen het moment was waarop onze Europese beschaving zou zijn geboren. Die mythe is te herleiden tot drie stellingen:

  1. De Grieken hebben, in tegenstelling tot de oosterlingen, de werkelijke vrijheid gerealiseerd en hebben de wereld iets te vertellen hadden over het goede, schone en ware.
  2. De westerse wereld bouwt voort op de Griekse beschaving.
  3. De Grieken hebben al dit moois veiliggesteld tijdens de oorlog met de Perzen.

In feite staat in dit beeld een vrij, humanistisch en rationeel Europa tegenover een onvrij, religieus en irrationeel Azië. In 1905 heeft Max Weber deze mythe aan flarden geschreven. De wetenschap is daarna verder gegaan, met een verdere problematisering van de mythe, met innovatieve ideeën en met een gestage uitbreiding van het databestand. Precies een eeuw na Weber keerde het bewezen onhoudbare idee echter terug.

Zombiegeschiedbeeld

Een voorbeeld is het boek Thermopylae. The Battle that Changed the World van de Britse classicus Paul Cartledge. Deze nam aan wat moest worden bewezen: dat Leonidas het belang van Griekenland plaatste boven eigenbelang, zichzelf opofferde om een morele overwinning te behalen en de wereld te tonen waartoe vrije burgers in staat waren.

Een andere titel is Worlds at War. The 2,500-Year Struggle Between East and West van Anthony Pagden, waarin deze politicoloog de hele westerse geschiedenis beziet door de bril van een eeuwig conflict tussen het vrije westen en het onvrije oosten. Waarbij het westen nu eens Griekenland, dan weer Rome, vervolgens christendom of Verlichting kan heten, terwijl het oosten Perzisch, Parthisch, Arabisch, Turks of islamitisch kan zijn.

Het sjabloon van een clash of civilizations is ook aanwezig bij de Britse classicus Tom Holland, die in Persian Fire schreef dat democratie, rationaliteit en de filosofie van Plato niet zouden hebben kunnen bestaan als de Perzen niet waren verdreven uit Europa. Een van zijn getuigen is John Stuart Mill, want een mening van een negentiende-eeuwse filosoof is natuurlijk relevanter dan het oeuvre van twintigste-eeuwse historici. Wetenschap is ten slotte ook maar een mening en deskundigheid is alleen maar verdacht. Desondanks werd het boek opvallend kritiekloos ontvangen, misschien omdat er al vroeg een positieve bespreking stond in The Independent. Als dit boek geen literaire onderscheidingen zou krijgen, oordeelde de recensent, was er in deze wereld geen gerechtigheid meer. Die recensent was Paul Cartledge, die er niet bij vertelde dat hij een van Hollands medewerkers was.

En dan is er natuurlijk de speelfilm 300, gebaseerd op de beroemde graphic novel van Frank Miller, die in 2007 uitkwam en honderdduizenden bezoekers trok. Het publiek leerde dat de Spartanen “de enige hoop in de wereld op rede en gerechtigheid” waren en dat de Perzen slechts “een zee van mystiek en tirannie” hadden te bieden. De bioscoopbezoekers zullen heus wel hebben herkend dat de film volkomen over the top was, maar op de achtergrond speelt meer. De maker van een film met een historisch thema en de bezoeker van de bioscoop hebben een onuitgesproken contract dat het scenario fictief verhaal mag zijn maar dat de achtergrond redelijk moet kloppen. Die achtergrond wordt daardoor vrij kritiekloos voor feitelijk juist aangenomen, ongeveer zoals Asterix, als die boeken de enige ontmoeting zijn met de Oudheid, vooral een bron is van desinformatie. Omdat 300 voor veel bezoekers hun enige kennismaking met de oude wereld was, bleef het idee van een conflict tussen mooie en vrije westerlingen en lelijke en despotisch geregeerde oosterlingen hangen. Zo bereikte dus een ruim honderd jaar geleden weerlegde mythe de eenentwintigste eeuw. Een zombiegeschiedbeeld.

Saddam Hoessein

Zo keerde de mythe van een uitzonderlijk Griekenland, erflater van de westerse beschaving en bedreigd door een oostelijke erfvijand, weer terug in het publieke bewustzijn. Een deel van de verklaring is dat de genoemde boeken expliciet zijn geïnspireerd door de Amerikaanse inval in Irak, die leidde tot de val van Saddam Hoessein. De film is daarover minder expliciet, maar de recensenten hebben vrijwel zonder uitzondering de parallel gezien en vroegen zich hooguit af of het thema “vrij westen tegen tiranniek oosten” was of dat de Xerxes van de film bedoeld was als commentaar op de Amerikaanse president Bush.

Wat ging er mis?

De eigenlijke vraag is een andere: wat is er misgegaan dat de oudheidkundigen niet hebben herinnerd aan Weber en niet hebben uitgelegd dat er desinformatie in omloop werd gebracht? Je verwacht toch dat wetenschappers opkomen voor hun vak en protesteren als dat voor een politieke ideologie wordt misbruikt? Als de negentiende-eeuwse angst voor vaccinatie in de media terugkeert, als mensen beweren dat de aarde een platte schijf is, als de ideeën van het zogenaamd wetenschappelijke racisme terugkeren, als fysiognomie of homeopathie worden gepropageerd, dan komen wetenschappers toch ook in het geweer?

Nu is het niet zo dat oudheidkundigen hun eigen vak haten. Wat wel speelt is dat het vak te versplinterd is. De voornaamste bloedgroepen zijn die van de archeologen, classici en historici, maar daarnaast zijn er – om het te beperken tot de voor dit boek relevante subdisciplines – specialisten in spijkerschriftteksten en deskundigen over het antieke Iran. Dat oudheidkundigen tot vervelens toe oproepen tot interdisciplinariteit bewijst hoe weinig voortuitgang ze boeken. In Nederland komt hier nog bij dat de studieduur in de jaren tachtig is bekort tot vier jaar. Natuurlijk wist een classicus voordien niet perfect wat historici deden, maar het zou ondenkbaar zijn geweest dat hij destijds niet ongevéér wist hoe belangrijk de observaties van Max Weber waren. Zulk begrip van de andere subdisciplines is sindsdien weggevallen. Oudheidkundigen nemen van andere subdisciplines nog resultaten over maar kennen het eigene van collega-specialismen slecht. Een classicus die na de jaren tachtig van een Nederlandse universiteit kwam, heeft nooit leren vermoeden dat de mythe die boeken als Persian Fire uitdragen, niet alleen is achterhaald doordat koloniale opvattingen uit de mode zijn geraakt, maar ook doordat de analyse wetenschappelijk tekortschiet.

Een andere verklaring voor de tekortschietende reactie op de terugkeer van de mythe is dat oudheidkundigen de ontwikkeling van de wetenschapscommunicatie niet hebben bijgehouden. Steeds meer mensen zijn hoogopgeleid, denken fouten te herkennen, fouten die de steeds gespecialiseerder wetenschappers onvermijdelijk maken als ze zich bezighouden met een generalistenactiviteit als wetenschapsvoorlichting. Zo groeit scepsis.

Daar komt bij dat mensen al sinds de jaren zestig, zeventig moeten selecteren uit een informatieaanbod. De universiteiten zijn niet langer de enige aanbieders van wetenschappelijke informatie en daarom geldt dat wetenschappers moeten aangeven waardoor hun inzichten beter zijn dan die van andere aanbieders. De meeste wetenschappelijke disciplines streven ernaar inzicht te geven in het wetenschappelijke proces. (Dit is overigens onvoldoende om de echte wetenschapssceptici te overtuigen, aangezien er vaak een ongerustheid is die zó overheersend is dat deze hun belet te aanvaarden dat de wetenschappelijke methode werkelijk de meest redelijke is.) De oudheidkundige disciplines hebben het standaardadvies het wetenschappelijke proces uit te leggen, nog niet geïmplementeerd. Anders gezegd, de manieren van voorlichting zijn niet met het publiek meegegroeid.

Nog een laatste probleem: de beste informatie ligt vaak opgesloten achter academische betaalmuren en veronderstelt kennis van de wetenschappelijke methode die nergens aan het publiek wordt uitgelegd. Het resultaat van dit alles is vrij simpel, namelijk dat verouderde oudheidkundige informatie, die online overal gratis is te vinden, betrouwbare informatie overvleugelt. Bad information drives out good.